Deze week vindt in Barcelona het laatste grote klimaatoverleg plaats in voorbereiding op de klimaattop in Kopenhagen. Rijke landen, waaronder de EU-landen, zullen de komende weken een paar flinke stappen extra moeten zetten.

Ze willen zich niet vastleggen op een hoger “reductiepercentage’. Dat is het percentage waarmee landen hun uitstoot van broeikasgassen zullen verminderen. Ontwikkelingslanden zijn terecht boos over deze weigering echte beloftes te doen over minder uitstoot. Gisteren liepen de gemoederen zelfs zo hoog op dat Afrikaanse landen de besprekingen tijdelijk boycotten.

Vandaag deden de Afrikaanse landen gelukkig weer mee, nadat de deelnemers aan het overleg hadden afgesproken om extra tijd vrij te maken voor discussie over de reductiepercentages. Ontwikkelingslanden eisen dat rijke landen hun CO2-uitstoot uiterlijk in 2020 met 40% terugdringen.

Dat is helemaal niet te veel gevraagd. Het is in lijn met de uitstootvermindering die volgens wetenschappers nodig is om extreme klimaatverandering te voorkomen. De rijke landen komen echter niet over de brug. Ze komen nog niet eens op de helft van 40%. Mensen in ontwikkelingslanden lopen nu al tegen de gevolgen van klimaatverandering aan. Hoe minder wij bereid zijn te doen, hoe groter de schade voor hen zal zijn.

Het is onze morele plicht om de internationale klimaatonderhandelingen in Kopenhagen tot een succes te maken. We hebben nog maar een maand. Dat betekent dat er echt heel snel iets moet gebeuren. Om te beginnen moeten rijke landen bereid minder broeikasgassen uit te stoten en akkoord gaan met een reductie van tegen de veertig procent.

Grace Akumu, klimaatadviseur voor de regering van Kenia, gaat in op de positie van Afrikaanse landen